Pieter Corneliszn Maas (1766-1850) - brief aan zijn zoon Adriaan Jan Cornelis MG (1805-1871) dd 6 juni 1850

Brief van Pieter Maas Czn aan zijn zoon AJC (1850-06-06)

Pieter Corneliszn Maas (1766-1850) werd op 9 december 1766 geboren als oudste zoon van Cornelis Maas en Willemina van der Putten.

Deze brief schreef hij aan zijn derde zoon Adriaan Jan Cornelis MG (1805-1871) op 6 juni 1850.

De WelEd Geb Gestr Heer den heer Mr. A.J. Maas van Zuid Scharwoude

op den Huize Uitenbosch
onder Heemstede
bij Haarlem

Brief van Pieter Maas Czn aan zijn zoon AJC (1850-06-06)

Ruit 6 Junij 1850

Aat,

Gisteravond de famille van de Moeshaan (?) bij mij hebbende vernam ik dat in het begin der volgende week onze dochter Willemina Susanna tot u over zoude komen om te logeren. Dit deed mij ...... bepaald het voornemen opvatten om u te schrijven naardien ik een stilzwijgen wilde afbreken dat reeds eenige tijd tussen ons bestaat. Voor menschen in drukke zaken gaat het meer malen op dien voet, en ik schrijf het dan ook daar aan toe dat het tussen ons Tacet is. Ik hoop dat geen andere reden, zoals van ongesteldheid u in den weg staat; zulks zoude ik voor mij kunnen aanvoeren, die in de laatste dagen in meerdere mate door de lastige zenuw affectie is geplaagd geweest, dat op het mecanique deel van 't schrijven veel invloed heeft, en de zamenvoeging der denkbeelden merkelijk benadeeld. Mijne toestand intussen op het ontmoeten van mijne naastbestaanden <word daar door groter en ik wenschte daar steeds van omringd te zijn. Zo heb ik dan ook met de Pinkster verkeerde rekening gemaakt dat ik u zien zoude daar gij doorgaans om dien tijd in den Haag moet zijn met de Macon- nerie; dit heeft mij zeer gespeten en ik wenschte dat deze teleurstelling spoedig konde hersteld worde. Haarlem is zo nabij gekomen dat het geen afstand meer is. Indien men eene nagt daar bij doet, kan men een goede 12 uur met malkander zijn, konde gij
Brief van Pieter Maas Czn aan zijn zoon AJC (1850-06-06)

op die wijs maandag met een vroege trijn hier komen, 's nagts blijven en als het wezen moet dingsdag retourneren, dan was dat zeer goed. Zondag heeft men doorgaans aanloop en dus geen vrijheid om met malkander te praten, dat ik ook gaarne eens met u wilde doen. Als gij daarop denkt, zend mij dan met de post van morgenavond een regel antwoord. Ik ben zeer naar genoegen met een rijtuig geslaagd. Het is een mooije Brusselsche vigilante van vieren, die de nodige ruijmte heeft en zeer zagd rijd. De regen die hier heden vald is zeer verkwikkend en zal veel goed doen voor het plantenrijk. Ik hoop uw aller welstand en geef mijne beste groeten, groeten voor allen terwijl ik steeds blijf

uw Liefhebbende vader

P Maas Cz